het begin

Rinus Vlaanderen, 46 jaar, man.
Kindvriendelijk – eigenzinnig – alcoholist – kettingroker – draagt steevast een schipperspet en speelt in zijn vrije uurtjes mondharmonica.
Bij overmatig drankgebruik lichtjes rood aangelopen met guitige, waterige ogen. Twee schoppen van handen en toch slank, pezig gebouwd. Door het kettingroken een bruingeel gebit naast een slepende, ietwat slingerende gang. Een gebronsd, met rimpels doorkerfd gelaat met op het voorhoofd reeds terugwijkend haar.
Getrouwd met een buitenlandse met vier kinderen. Later kwam daar nog een half elftal bij.

sunset 25-10 2019


de stiefvader

Hij had jaren als kustschipper gevaren. Vrij als een vogel, flierefluiter die hij was. Nu, op zijn zesenveertigste zag men zijn uitspattingen zich over zijn hele gestalte uitbreiden. Drank, voornamelijk drank, en in mindere mate vrouwen, waren de oorzaak van het verleppen van de voormalige schone jongeling. Alhoewel, hij woog nog steeds maar 65 kilo voor zijn 1 meter 80. En zijn haar was, voornamelijk op zijn voorhoofd, nog maar lichtjes op de terugtocht.
Hij had het toch maar getroffen, nu acht jaar geleden. Want na al die jaren, reeds door iedereen opgegeven, toch maar thuisgekomen met een pracht van een vrouw. Acht jaar jonger en een temperament …
Haar vier kinderen, waarvan de oudste achter bleef in het verre Duitsland bij opa en oma, had hij er graag bijgenomen. Wie had ook kunnen vermoeden, toen dat zijn huwelijk zo vruchtbaar zou zijn dat er kinderen bij kwamen als van de lopende band. Nou ja, bij hem thuis waren zij ook met zestien.
Hij stak zich een volgende sigaret aan. Belga, rode Belga. Al jaren zijn merk. Een echte pittige sigaret. Pittig zoals het leven, zoals zijn vrouw. Een glimlach verscheen op zijn gelaat. Eens kijken waar Rinus nu al terecht kan. En tastend naar zijn mondharmonica ging hij fluitend op weg.

sunset 26-10-2019


dagen van onzekerheid

Ondertussen woonden we met het hele gezin in de Hooiopperstraat in Termien, Genk. Een nieuwbouwwijk met sociale huizen voor grote gezinnen: Vier slaapkamers, een grote leefkamer, badkamer, W.C.  en een keuken. Mét zolder en tuin. Al diende de tuin nog wel rijp gemaakt te worden om er eender wat in te platen.
Wij de eerste bewoners. En het eerste wat mijn stiefvader Rinus ons opdroeg was om zwarte aarde met emmers aan te slepen om de zandwoestijn van een tuin vruchtbaar te maken. Nou, dat was een hels karwei kan ik je verzekeren. Mijn enkele jaren jonger broertje – ik denk dat ik iets ouder dan twaalf was toen -  en ikzelf hebben wat afgesleept in die dagen. Maar langzaam werd de woestijntuin omgetoverd tot een vruchtbare oase.
Wat wel bleef was mijn enorme eenzaamheid gepaard met een irrationele angst voor het donker. En mijn  hunkering naar warmte, liefde. Mijn adoratie én nieuwsgierigheid voor alles wat vrouwelijk was, was er ook nog steeds.
in die tijd had mijn moeder diverse hartsvriendinnen die regelmatig thuis op bezoek kwamen. En sommigen brachten hun dochter of kleindochter mee. Zo leerde ik haar kennen.
Zij, een klein mollig meisje van mijn leeftijd [indien ik me goed herinner] met werkelijk een knap engelachtig gezicht, stevige volle borsten en een lieve, ontwapende glimlach die mijn hart deed smelten. Ik viel voor haar als een blok.
Als zij er was, konden wij uren op de wilde berm zitten achter ons huis – de wijk lag in een zonk en de Hooiopperstraat was de eerste straat van de wijk – en vertelden aan elkaar onze problemen en jeugdige verzuchtingen. Want net als ik, had zij dat gevoel van eenzaamheid dat altijd haar metgezel was. Al lag de oorzaak van dat gevoel bij haar eerder in het verstoten worden door andere kinderen wegens haar volumineus figuur dan door een hunkering naar liefde, warmte. Want dat kreeg zij thuis, gelukkig, meer dan voldoende.
Op een zomerse avond zaten wij, zoals zo dikwijls, op ons verborgen en geheim plekje op de opgehoogde berm. Ik weet nog dat het al laat was want de maan scheen en de hemel was bezaaid met sterren. Ons gesprek stokte al een tijdje en wij lagen beiden op onze rug stil naar boven te kijken. Plots draaide zij zich naar mij toe, en gaf me een kusje op mijn wang, ‘Ik krijg altijd zo een warm gevoel wanneer ik hier bij jou ben’ zei zij zachtjes. Ik voelde dat ik langzaam rood werd en het bloed naar mijn hoofd steeg. ‘Ik ook’ antwoordde ik en draaide mijn hoofd naar haar toe en verzonk in haar ogen. ‘Willen wij ons kussen’ hoorde ik bedeesd. ‘ik heb nog nooit echt iemand gekust’ was mijn reactie. ‘O, maar dat is eenvoudig. Gewoon onze lippen op elkaar’ zei ze. En draaide haar gezichtje helemaal boven het mijne. Voorzichtig en tergend traag naderden onze monden elkaar. De spanning was om te snijden. Eindelijk vonden haar lippen, die zacht en warm waren, de mijne en voelde ik haar tong duwend tegen mijn lippen die ik opende. Een onbeschrijfelijk warm gevoel overviel mij en ik liet mijn tong met de hare in onze monden dansen, trok haar helemaal tegen mij aan. Maar daardoor raakte ik met een hand – bewust of onbewust – haar rechter borst die ik doorheen haar truitje duidelijk voelde. En als vanzelf begon ik haar daar te strelen terwijl wij nog altijd kussend verbonden waren. Mijn hele lijf gloeide helemaal.
Langzaam raakten wij buiten adem en onze lippen weken van elkaar. Ik hoorde haar en mijzelf lichtjes hijgen. ‘O’, zei ze verschrikt, en duwde mijn hand weg van haar borst ‘Ik hoop dat ik nu geen kindje krijg want ik heb al mijn maandstonden. ‘Meen je dat nou?’ Ik schrok me een hoedje. Wist ik veel. Voorlichting was in die tijd een onbekend iets en werd gehaald uit boekjes en uit de meestal gefantaseerde verhalen onder elkaar. En ondanks dat ik voorheen op een boerderij had geleefd en gezien hoe een stier een koe dekte, had ik er eigenlijk nooit bij stil gestaan hoe dat bij mensen was en hoe kindjes gemaakt werden.
‘Volgende week dien ik dat ik mijn volgende periode te krijgen’ hoorde ik haar zeggen. Ik kon alleen maar zwijgen.
Het werden toen voor ons zes afschuwelijke wachtende dagen. Maar uiteindelijk kwam alles goed. En dat kon ook niet anders. Want wie geraakt er nu in verwachting door een kus. Alleen, dát wisten wij toen nog niet.   

sunset 28-10-2019



m
ijn allereerste herinnerende kerst


’t Was 1950, denk ik, 24 december. Mijn moeder was nu getrouwd met Rinus en we woonden als gezinnetje van vijf in Waterschei, Genk, in een kleine zijstraat - die nu niet meer bestaat - van de André Dumontlaan. Een simpele arbeiderswoning met twee slaapkamers, een ‘goede’ kamer, keuken en een betegelde achteruit met kleine stalling (?).
Rinus was een mijnwerker in de koolmijn van Waterschei en geen kolenhandelaar zoals mijn moeder in het begin dacht begrepen te hebben.
Hoe dan ook, het was de avond voor kerst en in Duitsland werd ‘Heilig Abend’ traditioneel gevierd en was het gebruikelijk dat om 18 uur de deur van de goede kamer, waar ook de kerstboom stond, werd opengemaakt en iedereen zijn kerstcadeaus kon vinden die door ‘das Christkind’ waren gebracht. Een traditioneel maar wel gezellig familiefeest.
Zó kende het mijn moeder, en dus ook zo nu.
En vanaf de middag reeds werden er, weliswaar Duitse want we kenden geen van allen al Nederlands, kerstliedjes gezongen. Ik ervaar het, terugdenkend, nu nog als een heel warm sfeer- en verwachtingsvol mooi moment en wanneer ik mijn ogen sluit, ruik ik nog steeds de geur van kabeljauw, ook traditioneel, die mama in een grote pot gereed had gemaakt. En allen wachtten wij op ‘papa ‘ die die dag dagpost had. Want eerder ging de kamer mét geschenkjes niet open. En werd er ook niet begonnen met eten.
Het werd 18 uur, 19 uur, 20 uur. Maar wie niet kwam was Rinus. Tot wij, uiteindelijk en onder tranen, naar bed werden gestuurd.
Ik weet niet hoe laat Rinus thuisgekomen is of hoeveel er van zijn pree nog over was; herinner mij ook niet echt een geruzie. Wel is mij steeds die pijn van ontgoocheling en droefheid van mijn moeder tot op de dag van vandaag bijgebleven. En hoe zij mij oppakte, in haar armen nam.
Misschien werd ik daar en toen ge- en zij hervormd. En begon, voor ons beiden, een niet echt emotioneel gelukkige tijd.

sunset 01-11-2019



de kerststal

We naderen nu langzaam december. En ik verheug me er al op om de kerstboom weer minutieus te versieren, het hele huis aangekleed te zien met verlicht houtsnijwerk – uit Seiffen en omgeving waar we de laatste tijd elk jaar heengaan – en het opgebouwd kerstdorp. December is en was voor mij de enige maand in herfst en winter die mij niet depressief maakt. En dat brengt me naar die december nu een kleine zestig jaar geleden.
’t Moet zo rond 20 december geweest zijn dat mama de kerstboom aan het optuigen was. Wij woonden het eerste jaar in de Hooiopperstraat - woon- en eetkamer was maar één enkele ruimte - en daar kon de kerstboom niet, zoals traditioneel gebruikelijk, opgetuigd worden in een aparte, tot de kerstavond afgesloten kamer.
Het valt me nu te binnen dat ik me vanuit mijn jeugd wel mijn eerste kerst herinner en ook deze, maar alle anderen niet. Misschien omdat ik jaren in kindertehuizen doorgebracht heb.
Hoe het ook zij, mama was de kerstboom voor het grote open raam in de woonkamer aan het versieren met kaarsen en kerstballen. Zó van die ouderwetse kerstmannen, sneeuwpoppen en huisjes e.d. En zo tegen een uur of drie werd de voorpret plots onderbroken door een huilbui. Ik stond er wat onwennig bij. Want dat kinderen huilden, oké, maar volwassenen?
‘Mama, wat is er?’ vroeg ik met een benepen stemmetje ‘Waarom huil je nu?’. ‘Er is geen kerststal’ we hebben geen kerststal’ snikte ze. En dat we geen geld hadden om er eentje te kopen hoefde mama mij niet uit te leggen. Ik was ondertussen toch al zo oud dat ik goed begreep dat papa’s behoefte aan drank geen andere uitgaven dan die voor de noodzakelijke levensbehoeften toeliet.
Mama zo te zien huilen verscheurde mijn hart en ik sloop stilletjes weg naar boven, naar de jongenskamer. En mijn oog viel plots op mijn daar netjes tentoon gestelde trots: Boeken.
Ook toen al was ik een fervent lezer, een dromende eenzaat die verdronk in verhalen. En van het door mij bijeen gespaarde door het verkopen van oud ijzer – in die tijd kwam wat wij noemden de voddenman regelmatig in de straten om oud ijzer en oude kleren op te kopen – en wat ik kreeg voor het uitvoeren van klusjes bij de rijken, kon ik mij af en toe een droom kopen. Want wij waren arm. Dat was overduidelijk.
Ik zocht een grote papieren zak en met tranen in mijn ogen deed ik één voor één al mijn boeken erin en sloop het huis uit.
Ergens in het centrum van Genk was er een winkel, een soort tweedehandswinkel, die ook tweedehands dingen opkocht. Misschien dus ook wel boeken in praktisch nieuwe staat. Want boeken waren mij heilig. En zelfs na mijn lezen, kon je daarvan niets merken.
Ik weet nog dat dat ik hard heb moeten onderhandelen om nog iets voor mijn boeken te krijgen, maar uiteindelijk had ik dan toch een kleine veertig Franken bij elkaar. En kon ik, in dezelfde winkel, op mijn gemak de enkele kerststallen bekijken die er te koop aangeboden werden. Het eerste waar ik naar keek was natuurlijk de prijs.
Uiteindelijk bleek beslissen niet moeilijk want van de vier waren er drie hoe dan ook te duur. En zelfs voor de vierde en goedkoopste had ik vijf Frank te weinig.
Misschien zag hij het aan mijn beteuterd gezicht, misschien maakte het iets uit dat het december en bijna kerst was, maar plots vroeg de winkelier of ik iets naar mijn gading had gevonden. Ik hield nog steeds de vierde kerststal in mijn handen, zuchtte en zei ‘Spijtig, maar zoveel geld heb ik niet’. En voelde de tranen achter mijn ogen branden. ‘Tja’ antwoordde hij ‘Dan hebben we een probleem. Wat kunnen we daaraan doen?’. En hij nam mij de kerststal af en begon hem in te pakken. ‘Hier’ zei hij, en gaf me de ingepakte doos ‘En geef me nu maar je veertig Franken en dan zwijgen wij erover’.
Ik was niet echt bedeeld met goedheid in mijn leven en dus stomverbaasd. Dankbaar nam ik het pakje aan, gaf hem het geld dat ik gekregen had voor mijn boeken en liep op een holletje terug naar huis.
‘Mama’ riep ik bij binnenkomst ’Mama kijk, ik heb een cadeautje voor je’ en gaf haar het pakje dat zij voorzichtig openmaakte. En genoot van de vreugde die over haar gelaat gleed toen zij de kerststal uitpakte en onder de boom opstelde. Ik zou gewoon alles doen om haar blij te zien en haar liefde te krijgen.

sunset 04-11-2019



waar is Eric?

Nu pas valt het me op dat wij als gezin ins mijn jeugdjaren best veel verhuisd zijn. Eerst in Waterschei, Genk en van daar naar oud Termien, Genk – achter café Welkom (?) wat voor Rinus niet de meest ideale plek was - en van daar naar het allerlaatste huis van Genk in Oud Termien – midden in wat nu het natuurreservaat de Maten is. Van Oud Termien naar de Hooiopperstraat waar wij door brand dienden te verhuizen naar de Rodenbachlaan.
Maar daarover later meer.
Wij woonden dus ondertussen in het aller, aller, allerlaatste huis van Genk, redelijk dicht bij de sluis van Diepenbeek in een heel klein boerderijtje.
Stel je een kleine langgevel boerderij voor bestaande uit een woonkamer, keuken, twee opkamers met elk een kamergroot bedstee, een ouderslaapkamer en een simpele uitgegraven en in aarde aangestampte kelder – die overigens zelfs in de warmste zomers behoorlijk koel bleef. Aan het woongedeelte aangesloten lag er eerst een soort hooi schuur en stalling en daarnaast weer de koestal. Tegenover de voordeur – bij mijn weten hadden wij geen achterdeur – op het erf stond een heel grote stenen bakoven en ietwat meer naar achteren het houten wc-huisje. Echt zo een ouderwetse Franse wc: Een opgebouwde kist met in het ‘deksel’ een kontvormig uitgesneden opening. Verder versierde een uitgesneden hart de deur die met een knip afgesloten kon worden.
Links van de voordeur, op een behoorlijke afstand ervan, lag de mesthoop en tussen en meer naar het huis toe was de waterput waar het water met een emmer aan een zwengel diende naar boven gehaald. Het vergde toch enig kunnen om de emmer zo schuin neer te laten komen op het wateroppervlak dat hij volliep met water waarna je hem naar boven kon zwengelen. De stenen opbouw van de put was een meter veertig hoog en de put zelf was zo een meter of zeven diep.
langs de boerderij stonden drie heel statige berken en links achter lagen de vennen.
Om op ons erf te komen had je een soort oprit van een kleine honderd meter. Waar deze kiezelweg op ons erf kwam stond het hondenhok. Wij hadden een Duitse scheper die luisterde naar de naam Bobby en die enkel voedsel van Rinus accepteerde en van niemand anders. En dat was nodig ook want er waren in die tijd nogal wat stropers – waaronder Rinus zelf – en die probeerden regelmatig de waakhonden te vergiftigen.
Eric zal zo ongeveer een jaar geweest zijn die dag toen mijn moeder hem miste in de loop van de voormiddag. Zelf kon hij nog niet alleen lopen maar wel al kruipen en zich aan alles en nog wat rechttrekken. Maar waar was Eric. Wij, dat wil zeggen die kinderen die op dat moment thuis waren, werden opgetrommeld om Eric in en rond ons huis te zoeken. En natuurlijk kregen we er eerst van langs omdat we niet opgelet hadden. Al was dat ons nooit gevraagd want wij kinderen leefden ons eigen vrije leven daar en toen.
Maar goed, wij met ons drieën op zoek naar Eric. Hij was nergens in huis, niet in de schuur en ook niet in de stal. Ook op de hooizolder was hij niet. Mijn moeder hield het niet meer en ik weet nog dat ook wij, de kinderen, het huilen nader dan het lachen stond. Zeker toen wij ook nog in de waterput keken. Eric was en bleef verdwenen.
Enkele uren later, waarin Bobby quasi verveeld en liggend op zijn voorpoten voor zijn hok, alle bedrijvigheid op het erf bekeek, zaten we ten einde raad in de keuken en mama overlegde luidop waar we nog konden zoeken. En anders moest ik met de fiets naar de veldwachterspost en Eric als vermist gaan opgeven.
Zuchtend stond ik op, keek door het raam naar buiten en … Zag ik het goed? Eric kwam langzaam en geeuwend uit het hondenhok gekropen waarin hij dus al die uren gewoon geslapen had. En Bobby had hem al die tijd trouw bewaakt. Wij allemaal blij. En Eric, die door mama geknuffeld werd,  begreep er niets van. Al stonk hij verschrikkelijk naar hond en zag er niet uit. Zo vuil was hij.

sunset 08-11-2019




koekoeksjong

Ook wij hadden een zwart schaap in de familie. Jochen, de broer die net voor me kwam en slechts enkele jaren ouder was.
Jochen was, net als mijn oudste broer, een zoon uit mama's eerste huwelijk. Mijn oudste zuster was mama's eerste buitenechtelijk kind. En ik ...
Maar goed, het moet ergens in een zomer geweest zijn en ik zo een jaar of tien. Waarom ik denk dat het zomer was? Wij waren allemaal thuis en niemand van ons kinderen in een kindertehuis of zo. Dus het moet wel de tijd van de grote vakantie geweest zijn.
Wat de reden was, herinner ik me niet meer. Maar er was een hoog oplopende ruzie tussen mama en Jochen gaande waarvan ik, toevallig, getuige was. Niet dat die ruzie tussen mama en Jochen een uitzondering was. Hun relatie was, op zijn zachtst uitgedrukt, nogal problematisch.
Wat er ook van zij, ik zie het nog altijd levendig voor me. Mama, boos schreeuwend, aan de binnenkant van de keuken en Jochen, eveneens en niet minder boos schreeuwend, tegen de deurpost geleund.
'En hem' en Jochen zwaaide zijn vinger naar mij 'heb je het ook nooit verteld. Hij weet van niks'. Wage dich nicht' raasde mijn moeder (die in haar boosheid dikwijls in het Duits verviel). 'Hij denkt nog steeds dat hij papa's kind is en dat, en dat ...'. De boosheid deed zijn stem overslaan. 'Hij ook niet meer is dan een koekoeksjong'.
Mama, witheet, deed een greep naar het potten- en kruidenrek en kreeg het volle blik suiker te pakken dat zij met alle geweld naar Jochens hoofd gooide. En hem gelukkig miste. Jochen stormde de deur uit en was, na enkele dagen? diezelfde dag? verdwenen.
'Wat bedoelde Jochen met koekoeksjong' vroeg ik met een benepen, bevend stemmetje aan mama. Het huilen stond me nader dan het lachen. Ook als kind kon ik heel slecht tegen ruzies. En al helemaal wanneer zij luidruchtig gevoerd werden.
Hoe mama het mij uitgelegd heeft toen, herinner ik me niet meer. Wel begreep ik dat papa niet mijn echte papa was maar wel de papa die voor me zorgde en opvoedde. Wie dan wel mijn echte papa was, dat hoorde ik pas veel later.
Voor mij was het als een uppercut die ik niet kon zien aankomen. En ook mijn twee zusjes en broertje die na mij kwamen, behandelden mij sindsdien soms, maar wel regelmatig, als een koekoeksjong, een buitenstaander die er niet echt bij hoorde. Kinderen kunnen, in hun simpelheid van denken en hun naïviteit, heel wreed zijn.
Toen en daar begon ik me voor het eerst heel diep in mezelf te verschuilen en ontstond, denk ik, mijn mij altijd bijgebleven gevoel van eenzame verlatenheid.

sunset 13-11-2019



heel af en toe ook zon

In de Hooiopperstaat werkte Rinus al niet meer. Waar hij vroeger voor twee werkte – én bij de afvalophaaldiensten van de gemeente én als keuterboertje – was er iets in hem geknakt toen wij de broederij moesten verlaten en in een wijk in een rijtjeshuis gingen wonen. O, hij had wel zijn tuin. En ondertussen ook duiven – hij was duivenmelker geworden –; maar zijn energie, zijn werklust was verdwenen. En gezien zijn dorst niet verminderde, en er toch geld in het laatje moest komen, zocht mama werk. Dat zij uiteindelijk in Aken in de chocoladefabrieken Trumpf vond. Elke morgen vertrok zij heel vroeg, opgehaald op verzamelplaatsen met bussen samen met vele anderen, naar haar werk.
Wat Rinus betreft, hoe dikwijls ik niet opmerkte dat hij ’s ochtend bij het opstaan over zijn hele lichaam beefde, zijn handen niet stil kon houden. Maar zijn eerste gang, na zijn ochtendplas, ging rechtstreeks naar de opstaande hoge keukenkast waarna hij een fles goedkope wijn greep, de kurk met zijn tanden eruit trok en een wel heel flinke slok wijn tot zich nam. Om dan gemoedelijk aan de keukentafel te gaan zitten, een kom aardappels tussen zijn knieën en deze begon te schillen. De schil werd zo dun met het aardappelmesje weggehaald, dunner dan ik het ooit voor mogelijk heb gehouden. Per dag had Rinus wel minimaal één fles wijn nodig echter.
Zover als ik mij het herinner was mama de week gedurende de dagen niet meer thuis en kwam zij ’s avonds zo tegen een uur of zes weer terug. Rinus had dan voor het eten gezorgd en ook een handje toegestoken wat het poetsen en zo betrof, de rest werd over ons kinderen verdeeld. In mijn beleven heb ik,  ik weet niet hoeveel duizenden vierkante kilometers gedweild in al die jaren. En afgewassen. En opgeruimd. Maar je mocht dweilen, opruimen wat je wou, het huis was en bleef één grote bende.
Zo leefden wij van de maandag naar de vrijdag toe. Want ’s vrijdags was het meestal feest. En niet alleen omdat mama dan haar loon ontving van de voorbije week. Neen hoor. Maar elke vrijdag mocht en kon zij tegen een zwaar gereduceerde prijs voor verkoop afgekeurde pralines en dergelijke kopen. Wat zij ook regelmatig deed. En ik zie haar nog altijd thuiskomen, een bruine papieren zak uit haar tas tevoorschijn halend met daarin de lekkernijen die zij die dag had kunnen verwerven. Voor ons waren dat als sinterklaas- en kerstdagen maar dan  op vrijdagen doorheen het jaar. En wie maalde erom dat er pralines geklonterd waren, aan elkaar kleefden. Als ik mijn ogen sluit proef ik nog steeds die heerlijke smaak die zich voor mij in latere jaren nooit meer herhaalde.
Ondanks het grijze van ons armoedig bestaan, zagen wij toch ook heel af en toe de zon.

sunset 27-12-2019




Waarom zijn zij niet komen zingen?


Van wie we het geërfd hebben [ moet wel van mijn moeder zijn want wij hadden verschillende biologische vaders] is een onduidelijkheid, maar zowel mijn twee oudere broers als ikzelf konden redelijk goed [samen] zingen. Mijn twee oudere broers waren hoe dan ook muzikaler dan ikzelf: Jochen speelde op latere leeftijd gitaar en imiteerde Elvis, en onze ‘Wolf’ speelde later zeker niet onverdienstelijk trompet. Maar in die tijd waarin zich dit speelde, ging het enkel om het zingen.
Dat wij arm waren had ik al verteld. En vanuit die armoede was het lekker meegenomen dat wij elk jaar Drie Koningen gingen zingen. Verkleed wel te verstaan. En als ik me niet vergis, was ik diegene die de zwarte koning speelde.
Dagen van te voren werkten we aan onze kronen [van stevig karton, beplakt met goud papier] en zochten we onze kleding uit. We hadden alle drie een soort cape-sleep van [oude] gekleurde tafellakens [die toen in de mode waren] en verder elk een donkerbruine draagmand van riet en een lange redelijk stevige puntige stok die wij zelf gesneden hadden en van schors ontdaan.
Zo zijn we jaren op stap gegaan [in tijden dat ik niet in kindertehuizen verbleef] door heel Oud Termien en geen huis noch boerderij werd door ons overgeslagen. Het fijnste vonden wij dat wij geen snoep noch geld [ dat trouwens een rariteit was bij de keuterboertjes e.d.] kregen want wij waren heel blij met de eieren, worst en spek; het eerste voor in onze manden en het tweede werd aan de puntige stokken geregen.
In mijn beleven waren wij de enigste die daar Drie Koningen gingen zingen [ bij mijn weten kwamen wij nooit een ander trio tegen]. En als we ’s avonds laat thuiskwamen waren wij trots op het door ons opgehaalde dat netjes bij de etensvoorraad werd gelegd en heel goed van pas kwam.
Ik denk dat onze stemmen goed bij elkaar pasten en ook dat wij een uitgebreid repertoire hadden [al weet ik niet meer welke liederen wij zongen] wat mede een verklaring was voor de hoeveelheid die wij elk jaar weer ophaalden .
En het allergrootste compliment kregen we dat jaar dat wij wegens omstandigheden [ik weet echt niet meer welke] geen Drie Koningen konden gaan zingen. De dagen erna kwamen ettelijke mensen thuis langs om te vragen en te kijken wat er aan de hand was. Men had ons namelijk gemist.

sunset 08-01-2020



il silenzio

Wij woonden ondertussen in de Hooiopperstraat in een grote sociale nieuwbouwwoning van Nieuw Dak. Jochen, het zwarte schaap van onze familie en maar enkele jaren ouder dan ik, was niet meer in beeld. Op een dag was hij eenvoudigweg verdwenen. Maar daarover later meer.
Wij, dat waren dus de overgebleven 4 jongens en de meisjes. Wolf had als oudste, en mama’s favoriet, zijn eigen kamer, dan was er een jongenskamer en een meisjeskamer en natuurlijk de ouderslaapkamer. Rinus had zich neergelegd bij het verlies van de keuterboerderij en had een nieuwe passionele hobby ontdekt: Duivenmelken. Hij was er, naast het bijhouden van zijn uitgebreide moestuin, de hele dag mee bezig. Maar drinken deed hij onverminderd veel. Minimaal één fles van de goedkoopste rode wijn die er te krijgen was. Want ondanks dat moeder werkte, Rinus een pensioentje trok, waren en bleven wij arm.
Ook al trokken wij met Driekoningen niet meer zingend door de wijk, de muzikaliteit, en zeker bij Wolf, was gebleven. Hij had, via school, trompetspelen geleerd en was daarin beslist niet onverdienstelijk om niet te zeggen echt goed. En wel zo dat hij deel uitmaakte van het schoolorkest.
In die tijd, het einde der vijftiger jaren, werd, tenminste op het Atheneum Genk, het schooljaar afgesloten met een bonte avond van sketches, zang en voordrachten en natuurlijk muziek. Het was een hele eer om van die bonte avonden deel te mogen uitmaken dus iedereen deed stinkend zijn best. Zo ook Wolf. En wel zo dat hij dat jaar solo mocht tijdens die bonte avonden. Er waren enkele voorstellingen gepland in de nu niet meer bestaande locatie Rembrandt en daarvoor werd dus duchtig gerepeteerd.
Ik herinner mij uit die tijd meestal mooie zomerse juni maanden (maar misschien zijn mijn herinneringen, zoals veelal gebeurt, daarover verkleurd). En in dat jaar, dat weet ik zeker, was er een periode van heerlijke zonnige dagen. Wat maakte dat wij door de warmte meestal moeilijk insliepen ondanks dat alle slaapkamerramen wijd open bleven.
Het moet zo rond een uur of wij  ‘s ochtend geweest zijn dat plots iedereen in huis, en in de wijde omgeving, wakker schoot. Je moet weten dat onze wijk in een soort kom gebouwd was waarvan de Hooiopperstraat de bovenste rand was. En van daar schalde, op dat onzalig vroege uur, il silenzio over de hele wijn.
Wolf, die slaapwandelde, had niet beter gevonden dan in zijn slaap zijn trompet te nemen en voor het wagenwijd geopend raam il silenzio te spelen.
Nu zou ik me niet kunnen voorstellen dat zoiets nog gebeurt. Maar toen was het, en dat gedurende enkele dagen, hét gesprek van de dag in onze wijk en op school.
Overigens, zijn optreden op de bonte avond was een grandioos succes.

sunset 09-01-2020



denkend aan opa


Eindelijk, eindelijk mocht ik alleen op vakantie naar Moringen. En zestig jaar geleden was dat een hele onderneming voor een twaalfjarige. Helemaal met de trein bijna heel de breedte van de BRD oversteken, enkele keren overstappen ... Voor mij leek het toen op een wereldreis van nu.
Moringen, toen nog een klein stadje, dicht bij Northeim in Nedersaksen. Ik popelde van verlangen, hoopte dat ik op geen enkele vak een buis had - want dat betekende dus herexamen begin september en dus tijdens de vakantie blokken. Frans telde gelukkig niet mee. Want Frans kende mij, maar ik kende Frans (toen nog) niet.
Moringen betekende ook: thuis weg, emotioneel bijtanken in een mij rustgevende omgeving en bij mijn soulmaatje, mijn oudste zus (die overigens bijna elf jaar ouder is dan ikzelf).
Zoals misschien al eerder verteld, was mijn moeder, voorzichtig uitgedrukt en zeker wat seksuele emancipatie betreft, haar tijd mijlenver vooruit. En ondanks haar rijkeluisopvoeding, was mijn oudste zus het product van een stormachtige relatie die, om welke reden ook, nooit geleid heeft tot een in die tijd gebruikelijke verloving of zelfs maar de zweem van een trouwerij (net zoals elf jaar later dat bij mij ook het geval was. Maar dan wel met een verloving. Al mondde die toen ook niet uit in een trouwerij).
Hoe het ook zij, wij waren soulmaatjes en ik adoreerde haar grenzeloos (misschien ook omdat wij in onze familie tussen de Schneiders en de 'echte' Audenaerds gewoon de buiten(echtelijke)beentjes waren).
Toen mijn moeder zover was dat zij met Rinus zou gaan trouwen, vonden mijn grootouders dat mijn oudste zus en ikzelf bij hen moesten blijven. Mijn oudste zus omdat op langere termijn daarmee de verzorging van mijn grootouders was verzekerd. En wat mij betrof, als buitenechtelijk kind droeg, kreeg ik de achternaam van mijn moeder en haar ouders (en dus was ik een soort stamhouder van een familie die een eigen wapenschild bezat waarvan de kopie nog steeds in mijn bezit is. Het origineel zou in het bezit -moeten- zijn van het Heimatmuseum in Hannover).
Wat mijn oudste zus betrof, ging mijn moeder zonder slag of stoot akkoord. Mij achterlaten werd door haar echter pertinent geweigerd. En zo maakte ik als twee-, driejarige doorheen het nog steeds in puin liggend Duitsland, de reis van Moringen naar Genk.

(wordt vervolgd)

sunset 18-01-2020



denkend aan opa (vervolg)


Ik was dus onderweg naar Moringen. Eindelijk. De weg terug die wij, mama, Wolf en Jochem, ongeveer negen jaar eerder, maar dan in omgekeerde richting onder veel moeilijker omstandigheden, genomen hadden.
Van de reis, het treinen en overstappen, herinner ik me niet zoveel. Enkel mijn verbazing hoe groot een land wel kon zijn. In België was ik toen nog niet verder gekomen dan Mechelen (voor mijn eerste oogoperatie. Maar daarover een andere keer meer), Kalmthout (in een kinderkolonie om aan te sterken van TBC en bronchitis. Maar ook dat is een ander verhaal) en, niet onbelangrijk, de wereldtentoonstelling in Brussel. Relatief korte reisjes en altijd met en onder begeleiding. Maar een hele dag in de trein?
Ik kan mij nu best voorstellen dat mijn zus mij ergens onderweg opgevangen heeft op een groter station (Hannover? Of misschien Göttingen? Kassel?). Ik weet het niet meer. En alhoewel zij nog gelukkig onder ons is, kan ik het haar niet echt meer vragen wegens een voortschrijdende dementie.
Wat ik wel weet is, op het moment dat wij samen waren, ik mij onmiddellijk veilig en gelukkig voelde. En als ik mijn ogen sluit, eraan terugdenk, ik dat gevoel simpel oproepen kan en weer zo ervaar.
Opa was een Burgermeister a.D. en daardoor behoorden wij tot de notabelen van het stadje en kende iedereen ons. Niet dat dát voordelen met zich meebracht. Eerder nadelen. Telkens wanneer wij naar het centrum liepen om inkopen of andere dingen te doen, moesten wij ons omkleden in onze beste kledij. Het was namelijk ondenkbaar dat wij in gewone kleding, waarmee wij in de tuin werkten of huishoudelijk werk verrichtten, zomaar op straat konden komen. Dat was voor de kleinkinderen van de burgemeester in ruste beslist niet gepast.
Raar is dat ik meer aan opa denk dan aan oma. Oma was toen nog steeds een dame met heel vol, spierwit wollig haar dat ik het liefste de hele tijd strelen wou (wat ongepast was). Pas later kwam ik erachter dat oma over nacht dat spierwit haar gekregen had toen zij kinderverlamming kreeg (dat ontiegelijk pijnlijk was; vandaar). Van hun beiden was oma beslist de strengste; diegene die zich het minst inleven kon in kinderen. Opa was daar veel minzamer en toegeeflijker in en ging dikwijls tegen oma in als hij ons (mijn zus en mij) weer iets extra toestak of iets toeliet wat oms beslist niet had gewild.
Toen begreep ik dat niet zo. Maar achteraf gezien had mijn zuster daar een soort assepoester leven (en zeker door toedoen van mijn oma) en was zij blij als zij voor een paar weken naar België kon komen. Wat mij in die tijd helemaal onbegrijpelijk leek. Maar net zoals ik blij was in Moringen te zijn, weg uit Genk, was zij juist blij weg uit Moringen te zijn en enkele weken bij ons in België, onder armoediger en minder hygiënische omstandigheden, te kunnen verblijven.
Opa was streng, lief en had zo zijn routines. Dagelijks 's morgens verse broodjes die aan huis werden gebracht, zijn krant, één, maximaal twee sigaartjes ( hij had verhoogde bloeddruk en om die reden dronken wij nooit echte koffie maar chicorei) en elke avond het acht uur journaal op de ARD. Hij besliste wat er gekeken werd (meestal shows en af en toe een film of een serie). En ik moest meestal rond 21 u naar bed (of eerder als er iets op TV kwam wat hij niet geschikt voor mijn ogen vond).

(wordt vervolgd)



denkend aan opa (2de vervolg en slot)

Ik kan me niet meer herinneren wanneer opa gestorven is. Volgens mij moet dat na 1961 geweest zijn. Want in augustus van dat jaar werd de muur gebouwd en hebben wij allemaal, oma, opa, mij zus en ik bijna de hele dag aan de TV gekluisterd gezeten en vol ongeloof toegekeken in wat voor een tempo die eerste muur gebouwd werd; ramen en deuren, die uitkeken op het westen, dichtgemetseld. En hoe mensen zigzaggend lopend, het Westen van Berlijn probeerden te bereiken, uit ramen sprongen, over muren klommen. En via de TV was ik er die dag (bijna echt) lijfelijk bij (ook al snapte ik toen niet hoe historisch dat gebeuren was en hoe bijzonder om mee te maken).
Om een goed beeld te krijgen van het hele tragische gebeuren, dien je te weten dat familieleden verspreid over de hele stad Berlijn woonden. En dat het plaatsen van een muur dus niet alleen een hele stad in tweeën deelde maar ook hele families verscheurde. Tot die dag kon men in Berlijn nog relatief gemakkelijk met metro, tram, trein overal komen. Maar dat was plots totaal onmogelijk geworden. Ouders woonden in Oost Berlijn, kinderen in het Westen (en vice versa). En hetzelfde gold voor broers en zusters.
Ik herinner mij nog de beelden van een moeder, toen de muur nog niet echt hoog was, die een jong kind over het stenen obstakel heen het Westen ingooide. En hoe mijn opa, oma, zus, voor wie het veel emotioneler was dan voor mij, huilden om datgene wat zij zagen. Tenslotte woonden zij niet zó ver van de grens met de DDR. En ook ik pinkte mijn traantje mee (want anderen zien wenen, werkt en werkte bij mij nog steeds aanstekelijk).
Dus wanneer opa overleden is ...
Ik ben in elk geval niet op zijn begrafenis geweest. Dat weet ik zeker. Want ondanks dat er een testament aanwezig was en er in het verleden tussen mijn moeder en haar ouders duidelijke afspraken waren gemaakt over de erfenis, ontaarde het testamentair voorlezen en de gevolgen ervan in een ordinaire scheldpartij van mijn moeder gericht tot mijn zus, door opa testamentair als hoofdbegunstigde benoemd. Het liep dermate uit de hand dat een vertrouwenspersoon van de familie, met name de pastores (Nedersaksen is hoofdzakelijk protestants) mijn moeder feitelijk tot de orde moest roepen.
Ik moet wel eerlijk zeggen dat ik dit allemaal van horen zeggen heb; dus niet uit mijn eigen herinneren.
Om het een en ander te verduidelijken wil ik hier herhalen dat mijn moeder uit een bemiddelde familie kwam (met achttien reed zij reeds haar eigen wagen) en bij haar eerste huwelijk een niet onaanzienlijke bruidsschat, toen in dergelijke kringen heel gebruikelijk, mee kreeg. Toen zij veel later afreisde naar België om te huwen met Rinus, mijn oudste zus achterlatend, was de afspraak dat mijn oudste zus alles zou erven in Moringen en alle andere kinderen, waaronder dus ook ik, in evenredige delen de bezittingen die zich bevonden in de DDR. Dat laatste was enkel op papier. Want die erfenis te effectueren bleek heel bijzonder te worden (maar dat is weer een heel ander verhaal).
Dit op te schrijven voelde goed. Ik was weer daar en toen met mensen die mij, ieder op hun eigen manier, lief hadden. Herinner mij mijn tranen als ik mij in mijn eenzame momenten thuis in slaap huilde omdat mama mij niet bij opa en oma gelaten had; weende om het verdriet dat ik niet bij mijn oudste zus was of zij niet bij mij.
Ach, ik was en ben altijd al een, het buitenbeentje geweest.

sunset 20-02-2020



over mijn oudste zus, mijn soul mate


Zo een samengestelde familie als de onze, het is me wat. Je had als eerste mijn oudste zus Gisela (hoe dat juist met haar vader zat, is me óf nooit verteld, óf heeft me nooit erg geïnteresseerd. Wat ik wel weet is dat mijn zus hem ooit ontmoet heeft, maar dat er nooit een klik was en dus nooit enige band tussen haar en haar vader), zij was dus Duitse; dan mijn twee oudere broers Wolf en Jochem uit mama's eerste huwelijk, ook Duitsers; dan kom ik, mij vader was een Engelsman, en ik was Nederlander én Duitser; en tenslotte al de kinderen die mijn moeder kreeg in haar huwelijk met Rinus, die dus allemaal Nederlanders waren (en later, toen ik reeds getrouwd was, door naturalisatie van Rinus allemaal Belg werden). Met recht en reden mogen wij ons dus een ware Europese familie noemen.
In elk geval, de band tussen mijn oudste zus en mezelf voelde en was voor mij (en haar) wel heel bijzonder (en dat lag misschien aan het feit dat wij tussen deze toch wel bijzondere groep van kinderen, ook nog eens twee echte buitenbeentjes waren).
Zo herinner ik mij het doopfeest van mijn jongste broer. Ik was toen elf en wij woonden nog in ons boerderijtje. Gisela was overgekomen vanuit Moringen (ook omdat zij meter werd) en had flink meegeholpen aan het maken van een feestelijke maaltijd en tevens één van haar specialiteiten, een vruchtenbowl (met alcohol natuurlijk) gemaakt. Het was echt heel lekker, want zij liet me stiekem een beetje proeven. En er was bier (dat in onze kelder koel stond).
Voor de goede orde, als je naar de slaapkamer/bedstee van de jongens wou, moest je een afsluitluik, waarop dwarslatten geplaatst waren, als een soort trapje op. Deed je dat afsluitluik open, kon je over een verharde grondtrap afdalen in de kelder. De kelder was niet meer dan een uitgegraven rechthoekige ruimte waarin een volwassen man amper rechtop kon staan. En waarvan vloer en wanden enkel bestonden uit verharde grond. Maar, en dat herinner ik me nog goed, het was er 's zomers en 's winters altijd even constant koel.
Om me op de feestavond nuttig te maken, had ik als taak gekregen de mannen van drank te voorzien. D.w.z. volle flesjes bier uit de kelder halen en, geopend, aan de mannen geven en natuurlijk de lege flesjes ordentelijk terug zetten in de kratten. De vrouwen dronken de bowl.
Hoe het zover kwam, herinner ik me niet meer. Wel dat op een zeker moment die avond, de restjes bier die in de flesjes achterbleven, door mij werden opgedronken. Misschien dat ik het zonde vond om dat te verknoeien, weg te gooien. In elk geval, toen het Rinus zijn tijd was dat hij beter kon gaan liggen (zijn limiet was bereikt), stelde men tot ontzetting vast dat ook ik, om het voorzichtig uit te drukken, onverklaarbaar edoch behoorlijk in de olie was. Die avond, nacht was één van de zeldzame keren, zoniet de enigste keer dat ik bij één van de ouders geslapen heb.
's Anderendaags, ik had gelukkig geen kater (en die heb ik ook nimmer, op enig ogenblik na overmatig drankgebruik, ooit gehad), konden Gisela en ik er hartelijk om lachen. Ook al spraak zij mij streng toe daar toch maar liever geen gewoonte van te maken. Wat ook niet gebeurde, want ik vond, misschien juist daardoor, toen en nu nog, bier niet echt lekker.
Het valt me te binnen dat enkele jaren later, mij in Moringen iets gelijkaardigs overkwam. Opa was ondertussen reeds overleden en Gisela onderhield de veel te grote moes- en fruittuin (zoals zij dat altijd al gedaan had) waarvan de opbrengst voor hun tweeën, zij en oma, veel te veel was. En dus kreeg zij het advies van een bevriend echtpaar om van het teveel fruit wijn te maken. Zo gezegd, zo gedaan (na de nodige instructielessen).
Maar na langere tijd gisten e.d. komt het moment dat de fruitwijn in flessen dient getrokken te worden. Dat gebeurt in feite heel simpel. Men steekt een slang in de wijn die overgeheveld dient te worden, aan het andere einde zuigt men, met de mond, de wijn aan en zodra die begint te stromen, stopt men dat uiteinde in de flessenopening en vult zo de fles. De kunst hierbij is natuurlijk dat je ervoor zorg draagt dat de wijn blijft stromen en dat je ook geen wijn in je mond krijgt.
Wij waren overduidelijk beiden amateurs. En jonge wijn mag dan nog niet echt lekker zijn, sterk is hij wel. En omdat wij beiden afwisselend probeerden de wijn zo goed mogelijk op te zuigen, duurde het niet lang of wij rolden beiden giechelend en behoorlijk tipsy over de grond.
Het moet gezegd dat daarna het bottelen telkens beter ging. Zó dat dát ons nooit meer overkomen is.

(wordt vervolgd)

sunset 22-01-2020



over mijn oudste zus, mijn soul mate (vervolg en slot)

Het was altijd feest wanneer Gisela kwam of ik naar Moringen toe mocht gaan. Zelf weet ik niet meer wanneer ik plots in de grote vakanties naar Moringen mocht. Ergens zal dat wel een oorzakelijke reden gehad hebben [mijn moeder kennende]. Zoals alles wat thuis gebeurde. Want mijn moeder regelde alles [en dikwijls op slinkse wijze]. Wat zij aan [moeder]liefde ontbrak, werd ruimschoots door slimmigheid gecompenseerd. Maar ik zou het over mijn soul maatje hebben.
Ergens heb ik hier nog een zwart-wit foto waar ik op de kiezelweg sta met een veel te grote voorschot aan [ik zal zo een jaar of zeven, acht zijn] en uitkijkend [op de foto] naar rechts. Met mijn handen uitgespreid, heb ik de witte donker afgezette voorschot zeker driemaal zo breed gemaakt dan mezelf [ik ben inderdaad tot mijn zestigste ongeveer heel slank geweest]. En ik kijk naar rechts, richting Genk, van waaruit ik Gisela mag verwachten. Raar dat de foto, wanneer ik hem bekijk, zo een intens verlangen, maar tevens een diepe eenzaamheid, uitstraalt. Voor mij geeft die foto heel treffend mijn kind-gevoelens van die periode weer. En nu nog voel ik de blijdschap die ik kende wanneer ik haar dan eindelijk zag verschijnen.
Hoe zij mij leerde fietsen. Op diezelfde kiezelweg. Ik, op een kinderfiets zonder steunwieltjes [ik denk dat ik zelf niet wist dat die bestonden] en Gisela die mij aanmoedigde, aanwijzingen gaf terwijl zij mijn zadel met één hand vasthield. Om mij plots los te laten, zelf te blijven staan en haar aanwijzingen luidkeels toe te schreeuwen. En het gevoel dat mij toen bekroop. Eindelijk volledig vrij te zijn. Verder sneller te kunnen gaan dan voeten kunnen dragen. Hemels. Om ontnuchterend te eindigen in bramenstruiken. Want al kon ik wel trappen, echt sturen kon ik nog niet.
Uiteindelijk hebben wij in mijn herinneringen, en die keren dat het mocht, rond Moringen toch wat afgefietst. En voor ons beiden waren die fietstochten een echte verademing. Voor Gisela omdat zij even onder de druk van het moeten verzorgen van opa en oma, van het bestieren van het hele huishouden uit was, voor mij omdat ik uit de voor mij toch stressige thuisomgeving een zestal weken weg kon zijn.
Langzaam verminderden mijn bezoeken aan Moringen om uiteindelijk volledig te stoppen (anders dan voor bijzondere gelegenheden). En in mijn herinnering kwam Gisela ook niet zo veel meer naar Genk [al begrijp ik achteraf dat het gebeuren tijdens opa’s begrafenis daar mede debet aan is geweest]. Toch speelde mijn moeder het klaar om ook dat soul mate gevoel dat ik nog steeds had, uiteindelijk te verstoren [Maar dat is weer een heel ander verhaal].
Nu, jaren later, ben ik blij dat Gisela nog leeft ook al heeft de ouderdom ook bij haar sporen nagelaten [niet meer goed kunnen lopen anders dam met een rollator; een vorm van dementie …]. En ben ik blij dat ik haar toch nog regelmatig opzoeken kan aan de Bodensee [waar zij naar toe verhuisde in een verzorgingstehuis, dicht bij haar jongste dochter].
Maar dat diepe gevoel van verbondenheid, dat weten van soul maatjes zijn was en is [door toedoen van mijn moeder], helemaal verdwenen. Over bijft enkel het heimwee naar, en de liefde.

sunset 19-02-2020


lichamelijk(e) vrij(heid)

De mooiste tijd van mijn jeugd was die ontegensprekelijk op onze keuterboerderij. Ons boerderijtje was het allerlaatste huisje van Oud-Termien, op zichtafstand van de sluis van Diepenbeek en vlak bij enkele vennen waarin het ’s zomers heerlijk zwemmen was. En een oer-landschap van waar wij woonden over Boxbergheide zo tot in Bokrijk dat toen al een heel grote speeltuin bezat.
Moeder bekommerde zich om het huishouden en boerderijgebeuren en vader Rinus was werken en wij, de jongste vier, konden doen en laten wat we wilden als er ons geen huishoudelijke taken waren opgedragen. Het liefste zwierven wij dus rond in dit mensenlege landschap, uitgezonderd de weilanden met koeien hier en daar en leefden alsof de wereld er enkel voor ons bestond.
Meestal gingen we in de zomer op pad met elk een grote wateremmer waarin wij de op dat moment voorhandene wilde vruchten verzamelden. Braambessen, bosbessen, beukennootjes … Al naar gelang het seizoen. En wij kwamen meestal met vier volle emmers thuis. En hadden ondertussen ook ons buikje vol gegeten.
Ach, als men ons zou hebben gezien, zou men beslist gedacht hebben dat wij kinderen van een woonwagenkamp waren. Wij droegen enkel afgedragen kleren: De beide meisjes een oude jurk en wij twee jongens een hemdje, of zelfs dat niet en een korte broek. En als die broek te groot was, werd hij simpel met een touw dichtgeknoopt. Schoenen en sokken werden niet gedragen. En ondergoed ook niet.
En wanneer we dan ’s avonds terug thuiskwamen, werden eerst onderling alle schrammen en blauwe plekken geïnspecteerd om te kijken of er niets ernstigs aan de hand was. Oppervlakkig het vuil afgespoeld met vers geput water, en dan, hup naar bed in afwachting van ons volgend avontuur.
Ik denk echt dat daar en toen het voor mij de meest gelukkige tijd uit mijn jeugd is geweest. Ook al omdat die tijd steeds een verademing was voor de tijden die ik doorbracht in kindertehuizen.
Hier zwierf je urenlang mensenziel alleen door een ongerepte natuur. Je leerde van haar schoonheid en haar woestheid houden. Leerde ook omgaan met de risico’s die zij herbergde voor kinderen tussen de vier en de tien jaar zoals wij. Maar je voelde de vrijheid. Van jezelf en van de natuur. En de hele wereld was er voor jou.
Wij gingen meestal na het vroege ontbijt op pad. Steeds zonder vooropgezet plan. Soms trok de Stiemerbeek ons tot aan de Slagmolen, gingen we visjes vangen; soms leek de speeltuin in Bokrijk ons wat en trokken we daarheen. En je moet je voorstellen: Enkel heel veel heide, struikgewas, bos. Meer was er niet. En om naar Bokrijk te gaan, diende je enkel op een zeker moment De Hasseltse Steenweg over te steken. Toen nog een simpele tweebaansweg met sporadisch wat verkeer vanuit of naar Hasselt. En Boxbergheide was niet meer dan een kleine verzameling huizen voor mijnwerkers, een kerk, school en een winkel.  Behoeftes werden tijdens pauzes eenvoudig gedaan door met opgetrokken jurkje hurkend te gaan zitten of door de korte broek naar beneden te duwen. Wij waren onschuldig en vrij. En stelden ons nergens vragen bij.
Ik heb het altijd als een vloek gevoeld dat die gelukkige kindertijd er bij het ouder worden nooit meer is geweest. Niet voor mezelf en noch minder voor mij eigen kinderen. Hoe kleiner de wereld werd en hoe meer mensen, hoe onveiliger, gevaarlijker alles.
Want tenslotte heeft die periode mij geleerd om ondanks alles het leven te lieven, alles en iedereen te respecteren en in mij de sterke drang geplant mij altijd vrij te voelen, minimaal in mijn denken.

[wordt vervolgd]

sunset 04-03-2020


lichamelijk(e) vrij(heid) - eerste vervolg

't Was een heerlijke zomerse augustusdag ergens in de eerste helft van de 50 tiger jaren vorige eeuw. Wegens de zomervakantie en de warmte waren Wolf en Jochen van plan om naar het openluchtzwembad, gelegen bij de Molenvijvers in Genk centrum, te gaan. Het zwembad was gratis toegankelijk en zeker in de zomermaanden was het een graag gebruikte afspraakplaats voor alles wat tiener was.
Het zwembad zelf stelde niet zo veel voor. Een grote betonnen aflopende bak met eerst een heel laag peutergedeelte afgescheiden door een betonnen boord, dan een ondiep gedeelte (ik meen me te herinneren tot maximum 1m20) en dan pas het werkelijk diepe gedeelte. Op één der hoeken van het diepe gedeelte stond een springplanktorentje met redelijk laag boven het water de kleine of te wel lage springplank en dan, via de toren, op een 3 meter hoogte ongeveer, de hoge springplank.
Het zwembad lag pal in de blakende zon en werd langs drie zijden, op relatieve afstand, omzoomd door bomen. Pal naast het zwembad lag het redelijk uitgestrekt Molenvijverspark. Voor verliefde koppeltjes een ideale wandelplaats in alle door hen gezochte beschermende intimiteit (die toen relatief weinig meer voorstelde dan wat handjes vasthouden en af en toe wat schuchtere kusjes).
Het zwemcomplex zelf bestaat al jaren niet meer. Ervoor in de plaats kwam een hotel en shopping center 1. Het Molenvijverpark ligt er nog steeds. Maar veel uitgebreider en ook mooier dan het toen was.
Maar goed, de jongens wilden graag gaan zwemmen en hadden daarvoor Rinus toestemming nodig. Want die verdeelde de zomerklusjes op de boerderij voor de uren dat hij bij de gemeentelijke reinigingsdienst werkzaam was. De afspraak was dat, wanneer het bietenveld volledig onkruid vrij was, beiden naar het zwembad mochten.
Nu was dit een niet te onderschatten karwei. De bieten stonden opgehoogd in lange rijen op een toch nog aanzienlijk groot veld. En tussen het glanzend groen van hun bladeren groeide even weelderig onkruid dat er boven uit stak. Dus, wilden Wolf en Jochen iets aan hun zwembaddag hebben, was het zaak om heel vroeg in de ochtend met wieden te beginnen. Het bietenveld lag rechts en op enige afstand achter onze boerderij.
Zo tegen een uur of tien, elf kwam Wolf, altijd al de lieveling van moeder, zeggen dat hun werk klaar was en dat Jochen en hij dus naar Genk centrum gingen (lopend of fietsend, dat herinner ik me niet meer). Maar moeder, haar pappenheimers kende, wenste toch eerst zekerheid dat het opgedragene goed was uitgevoerd, en ging dus om de hoek kijken hoe het veld er bij lag. En het moet gezegd: Rij na rij na rij alleen maar mooie glanzende bieten te zien. En van enig onkruid geen spoor.
Toen Rinus zo tegen de vieren thuis kwam en naar de jongens vroeg, kreeg hij te horen hoe vlijtig beiden waren geweest en hoe snel en accuraat zij wel gewerkt hadden. En nu dus nog steeds en welverdiend in het zwembad waren. En kijkend vanaf de hoek van onze boerderij over het bietenveld dat er schitterend bij lag, floot hij bewonderend voor het gedane werk en ging de koeien en het paard verzorgen.
Enkele dagen later verraste een zwaar en heftig zomeronweer onze contreien. En stond het onkruid daarna dubbel zo hoog als voorheen overwoekerend over de bieten. Dat kon ook niet anders als je het eerdere aanwezige onkruid niet weggewied had maar enkel met een sikkel gekopt.

(wordt vervolgd)

sunset 05-03-2020



de vennen, een zwemparadijs

Nu ik in deze corona-tijd prinsheerlijk op mijn dakterras in een luie stoel van de zon lig te genieten, gaan mijn gedachten terug naar een zomer midden de vijftiger jaren vorige eeuw.
Schuins achter ons huis had je een drietal vennen, omzoomd door riet. En op zonnige dagen lagen deze uitnodigend te blaken in de zon.
Wij, dat wil zeggen Suus, Ottoman, Ilonka en ik deden niets liever dan op dergelijke dagen in het water te liggen. Er moet hier wel bij verteld worden dat het water, op zijn diepste, hoogstens tot aan mijn knieën reikte. En ik was toen een slungelachtige knaap van een jaar of tien; de anderen respectievelijk acht, zeven en zes. Zij werden alle drie in een tijdspanne van dertig maanden geboren. Vandaar.
Had je ons naar onze zwemkleding gevraagd, hadden wij alle vier jou bevreemd en onbegrijpend aangekeken. Zwemkleding? Wat is dat en wie had dat nodig? Neen, wij lagen in het water zoals wij waren geschapen. Dus gewoon in ons blootje. En niemand die daar aanstoot aan nam. Wij al helemaal niet. Trouwens, buiten ons vieren en af en toe Bobbie, onze Duitse scheper, kwam er nooit iemand anders. Wolf en Jochem vonden zich sowieso al te groot om nog met ons te gaan zwemmen. Zij gingen veel liever naar Genk-centrum, naar het openluchtzwembad aan de Molenvijver. En zover ik mij kan herinneren, kregen wij op de boerderij geen bezoek andere dan familie. Dus hadden wij de vennen heerlijk voor ons alleen.
Wij vonden het prachtig om urenlang in het warme water te liggen spetteren en spelen, te doen of wij zwommen, zó dat wij er pas uitkwamen als de huid van elk van ons totaal doorweekt en gerimpeld was. Of dat mama ons, vanaf de achterkant van de boerderij, luidkeels sommeerde om naar huis te komen. Tot op een dag.
Het was een gewone weekse dag. Een dag nadat wij lekker van het water genoten hadden en ik wakker werd van pijn in mijn beide benen. Ik stapte uit de bedstee en schrok me een hoedje. Allebei mijn beide benen waren bedekt met dikke bulten met puistjes erop. En niet alleen dat het pijn deed, het jeukte ook ontiegelijk erg.
Bij ons thuis gold de stelregel: Wat van alleen komt, gaat ook van alleen weer weg. Dus gaf mama mij de goede raad mijn beide benen goed met zeep te wassen. En zeker niet aan of op de bulten te gaan krabben.
Zo gezegd, zo gedaan. Al vergde dat niet krabben nog de nodige inspanning mijnerzijds. Alleen, het hielp niet, het werd alleen maar erger. De eerdere bulten begonnen eerst te ontsteken en toen te zweren. Het zag er niet uit. En lopen ging al bijna helemaal niet. Ik lag gewoon de hele dag heel zielig op de bank. Het was zo een ouderwetse sofa, overtrokken met rood velours, dat ondertussen al ver afgesleten was.
Wat er ook van zij, feitelijk was het aan de tijd om een dokter te laten komen. Alleen, wij waren werkelijk zo arm dat een dokter helemaal niet in het familiebudget paste. En medicijnen trouwens ook niet. Dus was mama, wat zij altijd al was, creatief en nam contact op met dominee Schneider, dominee van de Lutherse kerk in Genk en bij wie wij daarna ook korte tijn in het kindertehuis verbleven. Zijn dochter was verpleegkundige, of had daarvan toch enige notie, en zou naar mijn benen komen kijken. Ondertussen waren het werkelijke grote zweren geworden die vol met pus zaten.
Haar diagnose was dat de oorzaak lag in de een of andere verontreiniging van het venwater - waarom ik de enige was die er onder te lijden had, bleef een raadsel - en dat het toch raadzaam zou zijn om een arts te raadplegen. Dit laatste was echter geen optie.
Na beraad, en misschien ook wel na raadpleging van boeken e.d., kwam zij 's anderendaags terug met een zwarte, stinkende zalf, zwachtels en een zak keihard oud donker brood. De zalf werd rijkelijk op de zweren, gesmeerd, over elke zweer werd een stuk brood gelegd en
het geheel werd ingezwachteld. De zalf diende om de benen te laten genezen en het brood om de pus uit de zweren te trekken. En elke twee dagen zou zij terugkomen om alles te vernieuwen.
Na een tiental dagen, zover mijn herinnering juist is, waren mijn beide benen volledig zweren-vrij. En ook, omdat ik mij niet gekrabd had, mij niet kon krabben, had ik geen enkel litteken er aan over gehouden. De stank van die zwarte zalf draag nog steeds heel levend in mijn herinnering mee.
In de vennen echter hebben wij nooit meer mogen zwemmen.

sunset 08-04-2020



verhuis 

Zo tweede helft vijftiger jaren dienden wij de boerderij te verlaten. Het huurcontract, ik meen mij te herinneren dat de gemeente eigenaar was, werd niet meer verlengd vooruitlopend op een wijziging van het bestemmingsplan. Het hele gebied werd namelijk natuurreservaat, nu gekend onder de naam de Maten.
Vooral Marinus leed onder dit nakend verhuis. Jarenlang had hij geploeterd om een extra boterham bij te verdienen en nu, net nu het goed begon te gaan, werd hem dat ontnomen. In mijn herinnering kwam dat zo hard aan dat hij er ziek van werd. Men zou het nu een depressie noemen.
Wij, de kinderen, vonden het allemaal spannend. Hadden wij toch nooit in een voor onze familie groot genoeg zijnde woning gewoond met een wc en een badkamer met een ligbad erin en een aparte wasbak. Wat een contrast met ons 'huizeke' buiten op het erf en de wekelijkse grote zinken teil waar 's zaterdags in het water eerst de twee meiden in gingen en de jongste, en in het tweede water de drie grootste jongens.
En voor mama was het helemaal een feest. Meubels uitzoeken en kopen, alles inrichten. Het moet voor haar geleden zijn van voor de oorlog en in haar eerste huwelijk dat zij dat plezier kende. En voor haar was het inderdaad een plezier. Want uiteindelijk bleek mama een gat in haar hand te hebben. Of beter gezegd een hand in een gat [zoals ik later nog al te dikwijls zou merken].
Maar goed, we gingen verhuizen. En zoals ik in een eerder stukje al vertelde , werkte Marinus bij de vuilophaaldienst van de gemeente. En bij diegenen die met of op de vuilniswagen meegingen, was het gebruikelijk dat ijzer, koper en kleding verzameld werd om aan de 'voddenman' eens per week te verkopen. En de opbrengst werd netjes onder hen verdeeld. En zoals ik mij herinner was dat elke week toch geen onaardig bedrag dat thuis ten goede kwam aan het kopen van extra's [kleding, schoenen enz]. Want het bijkomend en gelukkig effect van het boeren door Marinus was dat hij veel minder dronk dan voorheen. Niet dat hij niet meer dronk [voor een echte en verstokte alcoholist een onmogelijkheid], maar er was heel duidelijk een merkbaar verschil.
De hele boerderij moest dus opgeruimd worden. Alle beesten [een vijftal koeien en een paard, enkele schapen en een paar geiten] en het boerengereedschap moest worden verkocht; voor onze hond moest een nieuw onderkomen [gelukkig bij de buurman] gevonden worden. En al het pluimvee en de konijnen moesten worden geslacht.
Geloof me maar als ik zeg dat menige tranen gevloeid zijn: Bij mama toen de schapen, die zij als lammeren grootgebracht had, afgehaald werden; bij Marinus toen de koeien ingeladen werden om naar het slachthuis gebracht te worden. Enkel wij, de kinderen, hebben geen enkele keer geweend, zover ik mij herinner.
Door ons werd intensief gezocht naar oud ijzer en koper. Dat was onze opdracht. En al de rest, papier, kleren en plastiek (toen nog niet zo aanwezig als in latere jaren) werd in een grote ijzeren ton, door Rinus speciaal op het erf gezet, verbrand. En wij, hoofdzakelijk Ottoman en ik, natuurlijk ijverig alles afzoeken en ieder met een stok telkens het vuur laaiend oppoken. Tot Ottoman plots een stuk ijzer in de rode gloed zag liggen. Wij als kinderen wisten verduiveld goed de waarde van oud ijzer en koper. Dus Ottoman probeerde met zijn stok dat stukje ijzer uit de ton te wippen wat uiteindelijk, en na ettelijke keren proberen, lukte. Met een boogje vloog het stuk ijzer eruit. Recht op de bovenkant van mijn blote rechtervoet [zoals eerder al verteld - of niet - droegen wij thuis nooit schoenen noch sokken]. Ik schreeuwde het uit als een varken dat geslacht werd [dat herinner ik mij nog goed, én die afgrijselijk pijn] en onmiddellijk kwam Rinus kijken wat er aan de hand en zette mijn voet in een emmer koud water [die hij naast de ton had staan]. Van verdere behandelingen herinner ik mij niets. Al moet dat haast wel. Want zelfs nu nog, bijna zestig jaar later, zie je de vorm van dat stukje ijzer ingebrand op mijn voet en toont de huid daar nog steeds glanzend wit.
Verder liep de verhuis, zover ik me herinner, zonder noemenswaardige problemen. Want uiteindelijk viel er feitelijk niet niet zo heel te verhuizen.

sunset 20-04-2020


Ich bringe euch um

De Hooiopperstraat was voor ons kinderen een echt paradijs. Eerst en vooral het huis zelf: Beneden een lange rechthoekige woonkamer met voor aan de voor- en achterkant over de hele breedte raam; aan de achterkant ging links een deur naar een ingerichte keuken met daarin weer een deur naar de gang [die parallel liep met de woonkamer] en waarin een deur toegang gaf aar de kelder, de andere deur – wat een luxe – naar de W.C.
In de gang had je ook de trap naar boven met bovenaan, recht voor je, de ouderslaapkamer; daarnaast links de meisjeskamer – ondertussen drie – en daarnaast links weer de badkamer. Je liep verder de trap op naar de tweede verdieping waar je, naast elkaar gelegen, de slaapkamer had voor de jongere jongens – ondertussen drie want Jochen was er toen al niet meer; weggelopen – en een slaapkamer voor de oudste, Wolf, die dus een slaapkamer voor zich alleen had. Rechts van de kamer voor de drie jongste jongens lag een zolderruimte die Rinus volledig ombouwde tot een duivenkot.
Zoals al eerder verteld had het moeten opgeven van onze keuterboerderij Rinus duidelijk een heel zware knauw gegeven. En omdat ook zijn gezondheid, en dan met name zijn longen, door het vele roken en eerder ondergronds in de mijn werken, veel te wensen overliet, waren achteraf gezien, zijn duiven zijn redding. En het moet gezegd, hij kweekte niet onverdienstelijke en behaalde regelmatig zijn prijzen. En zoals altijd, werden wij kinderen – in dit geval ik dus – ingeschakeld om na het klokken de klok zo snel mogelijk in het duivenlokaal te krijgen. Dus in de speelperiodes fietste ik regelmatig ’s zondags naar Genk centrum naar het duivenlokaal. Heen en terug toch ritjes van pak hem beet ergens een 15 km.
De Hooiopperstraat was met stip de gezelligste straat waarin ik ooit gewoond heb. Onze linkerburen – het waren twee onder één kap woningen – hadden 7 kinderen, onze buur rechts – waarvan de vrouw in het laatste kraambed overleden was – had 11 kinderen en wij, als je Wolf niet meetelde, waren met zes. In totaal dus 24 kinderen. Vandaag zou dat onbestaand zijn. Maar toen waren de kinderrijke families duidelijk in de meerderheid. En zeker bij de armste laag van de bevolking.
Nieuw Termien was, zoals de naam al zegt, de - volgens mij – eerste gebouwde wijk met sociale woningen. En in de wijk woonden wij dus samen met Belgen, Nederlanders – wij ook toen – Hongaren, Italianen – dat waren de grootste groepen – en nog een tiental andere nationaliteiten. Reeds toen telde Genk een 23 nationaliteiten onder bevolking, deels natuurlijk te wijten aan de drie mijnen – Winterslag, Zwartberg en Waterschei – op haar grondgebied en deels te wijden aan de house van immigranten na de twee wereldoorlogen.
In die tijd werden er regelmatig straten door andere straten uitgedaagd wat meestal resulteerde in relatief onschuldige vechtpartijen. En het moet gezegd, de Hooiopperstraat werd bijna nooit uitgedaagd – want wij hadden alles opgeteld toch een dikke vijftig kinderen in onze straat -, wel werden wij dikwijls als bondgenoten gevraagd. En zoals in de grote mensen wereld werden die bondgenootschappen goed gehonoreerd – met snoep, knikkers en al dat wat voor ons kinderen interessant was.
Maar ik dwaal af. Want dat was echt niet de insteek van dit verhaal.
Mijn moeder was gezien haar afkomt een echte dame. Maar als zij boos werd, steigerde zij zichzelf in haar boosheid en wel zó dat die boosheid buiten proporties werd. Dat was iets wat wij groteren wisten en waar wij ook rekening mee hielden. Juist omdat mama dan onberekenbaar werd.
Ik denk dat alles zijn begin vond in het niet, of niet goed, uitvoeren van de ons opgedragen huishoudelijke taken. Want zoals alle kinderen, maar ook gezien onze volledige in vrijheid verlopen dagen op onze boerderij, probeerden wij zo snel mogelijk alles af te haspelen en weer naar buiten te gaan. Die dag wachtte ons echter een verrassing.
Toen wij – dat waren de twee oudste meis